Journalistieke belangenverstrengeling

Voor de AvantGarde MEN schreef ik vorige week een artikel over brainfood (voedsel dat goed moet zijn voor onze hersenen). Zoals zo vaak bij dit soort artikelen kwam ik ook hier al snel terecht in de schemerzone tussen wetenschap en dubieuze commerciële belangen. Dit zorgt keer op keer weer voor kleine gewetensbezwaren aan mijn kant.

Zo komt in het artikel een ‘wetenschappelijk medewerker’ aan het woord van een bedrijfje dat ‘in de visolie’ zit. Dit bedrijfje heeft zijn pr-zaakjes goed op orde en komt gelijk met bruikbare informatie, smeuïge quotes, een persoon die het heeft uitgeprobeerd (altijd handig) en wetenschappelijke bronnen die de werkzaamheid van visolie bevestigen. Heel fijn voor de luie journalist dus. Jij krijgt de quotes, bronnen en informatie en zij gratis reclame. Een win-win-situatie, toch?

In een poging een goede journalist te zijn, ga ik echter ook op zoek naar de andere zijde van het verhaal en bel ik Het Voedingscentrum. En, ook heel voorspelbaar, zij ontkennen alles. Tenminste: uiteindelijk geven ze toe dat er wel ‘aanwijzingen’ zijn, maar dat nog niets bewezen is en dat ze het daarom niet aanraden. Het Voedingscentrum waagt zich niet aan speculaties, zorgt niet voor leuke quotes en is ontstemd over het feit dat er überhaupt aan zoiets aandacht wordt besteed. Niet zo handig voor een journalist die op zoek is naar een vlot artikel over de fantastische mogelijkheden van brainfood.

Om het perspectief te verbreden probeer ik wetenschappers op te sporen die onderzoek doen naar voeding en intelligentie. Maar gedurende de zomermaanden wordt er niet of nauwelijks gewerkt op de universiteit. Hele afdelingen zijn met vakantie en als je al iemand te pakken krijgt, verwijzen ze je liever door naar een collega-onderzoeker aan een andere universiteit — die natuurlijk met vakantie is. De wetenschappers die je wel te spreken krijgt, hebben net een boek geschreven dat ze willen verkopen. Of, nog erger, ze zijn gelieerd aan de visolie-verkopers. Beide groepen zijn goede bronnen van informatie en quotes, maar ze nemen het niet zo nauw met de objectiviteit.

Op zich zal het mij een rotzorg zijn als mensen, door mij, een paar honderd euro stukslaan op capsules met visolie. Veel slechter zullen ze er heus niet van worden — hooguit een beetje armer. Bovendien mag je ook het placebo-effect niet onderschatten (ik hoop dat de pillen rood, groot en vies zijn!). Ik ben echter te trots om mij voor het karretje van tablettenverkopers te laten spannen. Daarom zoek ik telkens weer een bron die, omdat ze ook iets te verkopen hebben, iets compleet anders beweert. Een concurrerende pillenverkoper bijvoorbeeld of, zoals in dit laatste artikel, psychologen die beweren dat niet voedsel, maar gedrag en genen intelligentie bepalen. Dit betekent natuurlijk niet dat ik dan een objectief beeld schets, maar doordat ik het onderwerp van meerdere kanten belicht, is het in ieder geval geen directe reclame voor brainfoodcapsules meer.