De laatste van de grote drie
Saturday, October 20th, 2007
Op een van de eerste voorjaarsdagen toen ik ‘s middags kwam was ze dood. Ze was de avond ervoor gestorven. De dokter zei dat ik mij geen verwijten hoefde te maken. Ik had gedaan wat ik kon. Ze hadden me bewonderd omdat ik altijd op tijd was en nooit eerder wegging. Ook niet toen ze mijn aanwezigheid al niet eens meer opgemerkt moest hebben. Hij zei dat het heel veel voor haar betekend had. Dat ik haar diep gelukkig had gemaakt met die pruik want dat ze toen ze stierf hem met allebei haar handen op haar hoofd had gedrukt. Toen ik haar voor ‘t laatst gezien had — niet afstotelijker dan ze er de laatste tijd had uitgezien — en de dokter met mij opliep door de gang vroeg hij of hij die pruik soms voor me moest bewaren omdat ze meteen gekist zou worden en naar het crematorium in Velsen zou gaan. Ik zei dat ze hem moest ophouden. Dat ze het zelf zo gewild had.
Vorig jaar stierf Gerard Reve en vandaag is ook Jan Wolkers, de laatste van de drie grote naoorlogse schrijvers (Reve, Wolkers en Hermans), overleden. Turks Fruit en andere van zijn boeken zorgen al decennia lang voor geginnegap in klaslokalen. Pubers willen seks, revolutie en liefde, en dus lezen ze Wolkers. Eind van dit jaar zijn de laatste zinnen die Wolkers schreef nog te horen in het Dictee der Nederlandse Taal. Tot die tijd veel terugblikken op hippie-baldadigheid, neuken, jazz en de dood, want het ‘grote’ aan Wolkers is toch vooral dat hij leefde zoals veel Nederlandse schrijvers hadden willen leven, namelijk: Groots en Meeslepend.
Toevoeging op 24/10:
Wolkers’ biograaf Onno Blom over “Zo is het genoeg“:
Midden in de nacht werd Jan wakker en vroeg aan Karina of hij wat mocht drinken. Karina is toen uit de keuken wat granaatappelsap gaan halen. ‘Mag ik ook nog wat eten?’ zei Jan. ‘Ik heb honger.’ Daarop keerde Karina terug naar de keuken en maakte twee boterhammen met bessengelei. Jan at drie stukjes, en kauwde en kauwde. ‘Je moet niet alleen kauwen,’ zei Karina, ‘maar ook eten.’ Ze lachte. ‘Zo is het genoeg,’ zei Jan. Hij lachte terug naar Karina en viel in slaap.
‘Zo is het genoeg.’ Achteraf waren dat zijn laatste woorden. Want uit de diepe slaap waarin hij verzeilde, verkeerde hij twee volle dagen lang – en zou hij nooit meer wakker worden. Het vreemde is: zijn gedicht ‘Winterslaap’, dat deel uitmaakt van ‘Een drieluik van herinnering en dood’ lijkt zijn eigen dood precies te beschrijven, inclusief de boterham met jam:
De winterslaap
Als de sneeuw niet meer
Smelten wil,
Een boterham met dubbel jam
De mond niet opent,
een oog kijkt eerder scheel
naar een gebroken ruit
Dan hangt men lakens voor het raam,
De kille bloedsomloop
Zakt naar de modder,
Er is geen wakker worden aan.
