Onttovering

Voor mijn scriptie deed ik onderzoek naar het idee van vooruitgang. De vraag die ik daarbij stelde was: waarom is dat idee in onze tijd zo onlosmakelijk verbonden met wetenschappelijke vooruitgang? Als we denken aan vooruitgang, aan de voordelen van de moderne tijd, dan komen we vroeg of laat uit op de wetenschap. Een vraag die daarmee samenhangt is, wat wetenschappelijke vooruitgang nu precies is: wat wordt er beter, als de wetenschap vooruitgang boekt?

Ik wilde deze vragen historisch benaderen, en kijken naar het ontstaan van het idee van vooruitgang in de tijd dat ook de wetenschap in opkomst was. Het begin van wetenschap als ideologie begint bij Francis Bacon (1561-1626), die als één van de eersten de link legde tussen het vergroten van onze kennis van de natuur en het verbeteren van onze levensomstandigheden. Bacon was een van de eersten die zei: wetenschap kan ons leven makkelijker maken.

Gisteren las ik, in alle rust van een zondagavond, weer een paar pagina’s uit Webers Wissenschaft als Beruf, de tekst van de lezing die Weber (1918) hier in München hield. Weber vraagt zich in deze tekst oa. af op welke manier wetenschappelijke vooruitgang een verbetering is voor de mensheid. Door de moderne wetenschap kunnen we (technologisch gezien) meer en het maakt ons leven makkelijker, maar dat is toch niet de enige reden dat we van vooruitgang – maw.: verbetering – spreken? Wat is de uiteindelijke zin van het oneindige wetenschappelijke project?

Weber vergelijkt de situatie van de moderne mens met die van de primitieve wilde: wat is nu eigenlijk het wezenlijke verschil tussen beide levens? Het punt is volgens Weber niet, dat wij meer begrijpen van de wereld om ons heen. Sterker nog: onze wereld is – oa. door de wetenschap – juist complexer en daardoor ook onbegrijpelijker geworden. Weber noemt in dit verband de tram (in zijn tijd een voorbeeld van technologische vooruitgang): alleen mensen met gespecialiseerde kennis weten precies hoe deze tram hun van A naar B brengt. Het grootste gedeelte van de mensheid heeft niet meer dan een vaag besef van de werking ervan. In onze tijd – bijna 100 jaar na Webers toespraak – heeft deze ontwikkeling zich voortgezet en van sommige uitvindingen (bijv. de computer) kun je je afvragen of de werking hiervan überhaupt nog door één enkel individu begrepen kan worden.

De holbewoner of de Hottentot zijn juist wel in staat de werking van de door hen gebruikte instrumenten te doorgronden – de werking van een schep of een zwaard is immers niet bijzonder complex. Waarin ligt dan het verschil? Begrijpen we nu minder van de wereld om ons heen dan in prehistorische tijden? Natuurlijk niet. Volgens Weber heeft de moderne mens één wezenlijk voordeel: hij weet dat iemand hem eventueel uit kan leggen hoe de tram – of talloze andere uitvindingen en natuurfenomenen – werkt. Mystieke krachten, goden en magie zijn niet meer nodig. Dankzij de wetenschap kunnen we de wereld ook zonder ‘wonderen’ begrijpen. De wereld is, zoals Weber dat noemt, onttoverd (Entzaubert).

Bacon stelt iets soortgelijks in zijn Novum Organum: nieuwe uitvindingen – zoals het buskruit in Bacons tijd – lijken magische krachten te bezitten als je de werking ervan niet begrijpt. Wetenschappers zijn dus magiërs in de ogen van primitieve volken. Dit inzicht van Bacon, dat wetenschap de wereld onttovert, maakt hem tot een van de eerste echt moderne denkers. Trams, auto’s, vliegtuigen en computers heeft hij natuurlijk niet voorzien, maar de werking ervan zou hij waarschijnlijk niet hebben toegeschreven aan magische krachten of goddelijke bezieling. Volgens Webers opvatting van de moderniteit, was Bacon dus een van de eerste die besefde dat de wetenschap de wereld onttovert.